Sjteyler Kaetelgerich

Terug naar 1883. Hoe werden een hoge werkloosheid een boekhouder de basis voor dit ludieke volkstribunaal?


Ludiek volkstribunaal

Het Steyler Kaetelgerich is terug te voeren tot 1883, wanneer grote onvrede heerste over een schrijnende werkloosheid in Tegelen en Steyl. De manskerels zongen hun klaagliederen in de lokale café’s en smeedden plannen hun onvrede te uiten. De oorzaak van de werkloosheid vormde het faillissement van de Woltersbank uit Venlo.


Wegens verduistering van fl. 46.000,- van het Burgerlijk R.K. Armbestuur en van R.K. Godshuizen kregen Jean en Jacques Wolters geld- en celstraffen opgelegd. De Hoge Raad vernietigde echter het vonnis en het gerechtshof van Arnhem behandelde de zaak opnieuw.

Uit Luik
Door het faillissement raakten alle 39 werknemers van de oudste Tegelse ijzergieterij (Hendrik Kamp en Frans Soetens, 1854) plotseling hun baan kwijt. Onder hen was boekhouder Van Poppel, die had gehoord van een ludiek volkstribunaal uit de omgeving van Luik. Verdachte personen werden door duivels veroordeeld tot een ludieke verbranding in de ‘kaetel’. Aan het hoofd stond Vors Lucifer. De werkeloosheid was de reden om de Woltersbank voor het tribunaal te roepen en het Steyler Kaetelgerich was geboren.


Van Poppel wordt dus beschouwd als uitvinder van het Sjteyler Kaetelgerich. Dit klinkt aannemelijk, temeer daar Steyl een zeer bloeiende handelshaven kende met zeeschepen die kwamen tot aan Bordeaux, Marseille en de Spaanse havens toe. Het is dus best mogelijk dat deze kooplieden hun licht opgestoken hebben tijdens hun tochten over de Maas via Luik. Diverse cultuurhistorici, waaronder de carnavaloog drs. Theo Franssen uit Venlo hebben veel naslagwerk gedaan om de exacte voorgeschiedenis van het Steyler Kaetelgerich uit te zoeken en het is zeer aannemelijk, dat de samenloop van én het faillissement van de Woltersbank én de grote werkloosheid de basis zijn geweest voor de oprichting van dit humoristisch volksgerecht.

Het eerste Kaetelgerich, waarvan zelfs nog een soortement van advertentie stond in het Venloosch Weekblad van februari 1883 vond op drie plekken plaats: “Op de Paer, in Nabbe, en beej de Sjnook”. Een vaste plaats van handeling was er niet, want bejaarde Steylersen noemen nu nog diverse plaatsen waar het Kaetelgericht werd opgevoerd.

Braadproces

Het eerste proces in 1883 kende diverse beklaagden voor het zogenaamde ‘braadproces’. Men spreekt van de Sjpekvot (vrouw met groot achterwerk en weinig blijk van heersende moralen), de Woltersbank, en de Nekse (exhibitionistische man die zich ophield in de ‘Dreijers’, een vrijerspad nabij de roze zusters).
De verdachten werden veroordeeld tot de ‘braadketel’. De eerste ketel was een vierkante houten aardmolen, weggehaald in een ‘pannesjop’ (pannenfabriek) en op een paardenkar getild. Ook de rechters zaten op een paardenkar.
Van het Kaetelgerich in 1886, 1889, 1892 en 1895 zijn helaas geen documenten te vinden. Na de opvoeringen in 1903 en 1905 is het hele ketelgezelschap uitgenodigd om hun duivelskunsten te vertonen op de markt in Venlo. Lucifer heeft echter nooit bezit kunnen nemen van de stad, omdat het verhaal vertelt dat de toenmalige wagen met ketel in Venlo niet onder de Roermondsepoort door kon.

Volgens de Venloosche Courant is daarna in 1909 weer een Kaetelgerich gehouden, met een nieuwe ketel, speciaal vervaardigd in de fabriek van Karel Helmes. In die tijd zijn er ook diverse liederen geschreven voor het Kaetelgerich, veelal uit de pen van ‘de Lange van de Sjnieder’, de heer H. Thurlings.
Mede door de eerste wereldoorlog, werd het volgende Kaetelgerich pas opgevoerd in 1928, met de eerste heuse duivelswagen naar ontwerp van ‘Sjeng van d’n Eike’, kapper Sjeng Stoffels. Deze wagen heeft toen in de Tegelse vastelaovesoptocht de eerste prijs behaald. Als toenmalige beklaagde werd een smokkelaar van BUK-margarine veroordeeld. Tot aan tweede wereldoorlog is het Kaetelgerich nog opgevoerd in 1937 en 1939.

25 jaar geen vastelaovend

De tweede wereldoorlog betekende bijna het einde voor het Steyler Kaetelgerich. In de strenge hongerwinter van 1944 legden de Steylersen en Tegelsen, door nood, honger en angst gedreven, een belofte af, dat als de oorlog voorbij zou gaan, men als dank een Mariabeeld zou plaatsen, een bedevaart zou maken, en… men 25 jaar geen vastelaovend meer zou vieren.
Achteraf kunnen we zeggen dat deze belofte gelukkig tegen de natuur van de Steylersen in ging, want Steyl was nog maar net bevrijd, of er liep in de Oranje-optocht een rechterswagen mee, met daarop een grote ketel bestemd voor Hitler, Goering en Goebbels.

Beklaagden

In de loop van de geschiedenis zijn er al veel mensen veroordeeld. Dit waren niet altijd lokale zondaars, ook mensen van buiten Steyl konden de vuurdood verwachten. Phil Bloom, de eerste naakte vrouw op TV, en de Tegelse Huub Stapel, die zijn afkomst verloochende, werden veroordeeld. Een scheidsrechter die teveel op de hand van Venlo floot en zelfs een vete tussen aartsrivalen Tiglieja en Irene werd voor het Kaetelgerich uitgevochten.
Ook landelijke en wereldlijke zaken lieten de Steyler rechters niet onbegaan. We denken aan kunstcriticus Paul Brugel, die zich negatief uitliet over het Tegelse Passiespel, of een oliesjeik en milieuvervuiler ten tijde van olie- en milieuproblematiek. Zelfs toenmalig minister-president Joop den Uyl kon zich niet vrijpleiten. Zijn verweer met de woorden: ‘Ik heb toch niets gedaan’, werd hem juist fataal. Dit was namelijk voor de heren rechters dé reden dat hij veroordeeld werd ‘toët de Kaetel’.